Spaanse griep

Houdt de ziekte Covid-19, veroorzaakt door het coronavirus, de wereld op dit moment in zijn greep, ruim een eeuw geleden was dat het geval met de Spaanse griep. Een ziekte waaraan in 1918 en 1919 wereldwijd miljoenen mensen overleden (schattingen lopen uiteen van 20 tot wel 100 miljoen). Ze kenmerkte zich door koortsaanvallen die aan griep deden denken, en ontleende haar naam aan het feit dat Spaanse kranten er als eerste over schreven. Verspreiding vond onder meer plaats via de kazernes, troepentransporten en interneringskampen van de Eerste Wereldoorlog.

In Nederland werden tienduizenden mensen ziek. In plaatsen als Almelo en Maastricht waren het er meer dan vierduizend.
Officieel waren er in ons land 21.284 dodelijke slachtoffers te betreuren, zo’n 38.000 mensen die niet van een longontsteking herstelden niet meegerekend. De meeste slachtoffers vielen in de leeftijdsgroep 20- tot 40-jarigen. Zoals de broers Marinus en Jan Stoutjesdijk uit Stavenisse, resp. 29 en 31 jaar oud, die in november 1918 acht dagen na elkaar stierven. En hun 23-jarige oud-dorpsgenoot Cornelis Bastiaanse, brievenbesteller in Bergen op Zoom en Wouw, die in december 1918 is begraven in zijn geboorteplaats. In Tholen overleden in de week vóór 2 november een kind en een man aan de ziekte, meldt de Ierseksche en Thoolsche Courant. Waarschijnlijk betrof het de 93-jarige Benjamin Kegge en de eenjarige Pieternella Jansen, die resp. 21 en 31 oktober stierven.

Wie door de Spaanse griep werd getroffen, vertoonde verschijnselen als hoge koorts, hoesten, spierpijn en keelpijn, gevolgd door extreme vermoeidheid en flauwtes. Patiënten verloren zo veel energie dat eten en drinken niet meer ging. Ook werd het adem halen steeds lastiger. Mensen overleden vaak binnen enkele dagen.
Ter voorkoming van de ziekte kon men een aantal dingen doen, en vooral laten, aldus de krant destijds. Ze gaf aan: tocht en natte voeten vermijden; frisse lucht en zonneschijn in woon- en werkvertrekken toelaten; geen stof opjagen, de voorjaarsschoonmaak overslaan; matig roken; vergaderingen en uitvoeringen vermijden; ‘loop den griep-bacil niet moedeloos in den muil’; ga hoestende, proestende en niezende medeburgers uit de weg; een grieperig gevoel, ga dan naar bed en kom er pas uit drie dagen nadat de koorts geweken is; zoek geen heil in aspirinetabletten en ‘kwakzalversmiddelen’; neem u na de ziekte nog weken lang in acht, u bent dubbel gevoelig en een tweede aanval is dubbel gevaarlijk.
Een Oostenrijkse arts had volgens de krant een remedie: binnen zes tot acht uren een soepbord vol rodebietensalade verorberen zou veel patiënten hebben geholpen.

Het verloop van de epidemie wordt duidelijk als de cijfers op een rij worden gezet. In Zeeland overleden in de maanden juli t/m september 1918 totaal 13 mensen aan de Spaanse griep, in oktober 94, november 453 en december 124 mensen. Yerseke was met honderden zieken en veertig doden zwaar getroffen.
In Tholen-stad waren zoveel kinderen ziek dat eind oktober beide lagere scholen tijdelijk werden gesloten. En al begin augustus besloot de gemeenteraad om de jaarlijkse kermis in september af te gelasten. Ook in Sint-Annaland ging de lagere school voor onbepaalde tijd dicht. Het aantal zieken werd destijds niet geregistreerd. Maar het waren er veel. De Thoolse werkmansvereniging Hulp in Nood zag de uitgaven voor bijstand aan zieke leden fors stijgen; de totale uitgaven in 1918 waren 1053,95 gulden, de inkomsten bleven daar met 637,10 gulden ver bij achter.
In die tijd overleden op het eiland Tholen jaarlijks ongeveer 200 mensen. In 1918 waren dat er met 282 dus aanzienlijk meer. Het kan niet anders of de Spaanse griep was daar debet aan. De meeste aangiften van overlijden in de zeven eilandgemeenten werden in november en december gedaan: 54 en 47. In oktober waren het er 22, in de drie maanden daar voor steeds minder dan twintig.
Afgezet tegen het totale aantal sterfgevallen per plaats over de jaren 1916 tot en met 1920 blijkt Sint-Annaland in 1918 verhoudingsgewijs het zwaarst getroffen te zijn met 66 overlijdens (het jaargemiddelde was 40,8 overlijdens), gevolgd door Poortvliet met 25 (jaargemiddelde 18,2), Oud-Vossemeer met 45 (jaargemiddelde 34,2) en Scherpenisse met 25 (jaargemiddelde 19,2). Naar verhouding waren de 52 sterfgevallen in Sint-Maartensdijk en de 47 in Tholen (jaargemiddelde resp. 44,6 en 40,2) een stuk positiever. En Stavenisse kwam er met 22 sterfgevallen tegen een jaargemiddelde van 20,4 het ‘beste’ van af.

Onderstaand een paar foto’s uit ons archief om een indruk te geven van de situatie toen.