Kooistra

Een Friese schoenmaker in Tholen

V.l.n.r. schoenmaker A. Lievisse Adriaanse met knechten Anne Kooistra en A. Quist (bron: GAT)

Een Fries die naar Tholen, helemaal aan de andere kant van het land, komt om als schoenmaker de kost te verdienen. Het klinkt onwaarschijnlijk, maar het is precies wat Anne Kooistra iets meer dan honderd jaar geleden deed.

Het tastbare bewijs ervan is een koperen schoenlepel met daarin gegraveerd ‘schoenhandel Kooistra Tholen’.

 De begin dit jaar overleden Rocus van Homoet kocht die schoenlepel ooit op een rommelmarkt in Stavenisse, en schonk deze kort voor zijn overlijden aan de heemkundekring.

Kees de Koning en Wally Blaas zijn in de geschiedenis van Anne Kooistra gedoken. Ze vonden het nodige, maar niet het antwoord op de vraag hoe hij in Tholen terecht is gekomen.

De bewuste schoenlepel (foto Piet Quist)

Kooistra, in 1894 in Hallum geboren, kwam in december 1916 uit Ferwerderadeel als schoenmakersknecht inwonen bij Antonij Lievisse Adriaanse aan de Bebouwdendam 43 in Tholen.

Augustus 1918 vertrok hij voor een klein halfjaar naar Delft, om in februari 1919 terug te komen naar Tholen. Toen woonde hij bij M. van Bemden.

De jonge Fries, die mank liep, kreeg kennis aan de vier jaar jongere Hendrika Susanna Baaij, een van de acht dochters van oestervisser en -handelaar Pieter Kornelis Baaij.

Ze trouwden in juli 1920 en gingen in de Bebouwdendam 21 wonen. Kooistra vestigde zich zelfstandig, in ieder geval in 1922, blijkt uit krantenadvertenties. Hij verkocht pantoffels, maar ook militaire werkkleding, én Tholenaren konden bij hem (tot 1932) Friese pootaardappelen bestellen.

Vanaf 1923 woonde het gezin in de Visstraat 15, en na 1940 op nummer 21. In 1927 was Kooistra één van de zes inwoners waarvan grond werd onteigend (89 centiaren) in verband met de overbrugging van de Eendracht.

Rechts Bebouwdendam 21 (bron: GAT)
Visstraat (bron: GAT)

Hij ging met de tijd mee, eind jaren twintig adverteerde hij met een machinale schoenmakerij. De wereldwijde crisis bracht echter ook de Thoolse koopman en winkelier in de problemen; in 1934 werd hij failliet verklaard, wat na twee weken door de rechtbank werd herroepen. Vijf jaar later volgde opnieuw een faillissement, wat werd opgeheven wegens gebrek aan baten. En in het najaar van 1940, kort na het overlijden van schoonvader Baaij, is de schoenwinkel gesloten.

 

Tussen 1922 en 1929 zijn in het gezin van Anne en Hendrika vijf kinderen geboren, waarvan alleen dochter Elisabeth en zoon Fokke Pieter volwassen zijn geworden. Zij bleven niet in Tholen wonen. Daar kwam in 1924 wél Annes zus Ybeltje naar toe, die trouwde met Bram Quist. Zij hadden een bakkerszaak in de Bebouwdendam, die in de jaren vijftig kort is voortgezet door F. Hofstra. Dit was een zoon van een andere zus van Anne en Ybeltje, Fokje Kooistra.

In de Thoolse gemeenschap timmerde Anne Kooistra ook op andere manieren aan de weg. Hij was in 1923 medeoprichter, de eerste penningmeester en naderhand voorzitter, van de plaatselijke kiesvereniging van de SGP. In 1927 en 1931 stond hij op de kandidatenlijst voor de gemeenteraad, maar kreeg een gering aantal stemmen. Zijn schoonvader werd wél gekozen. In Kooistra’s schoenmakerswerkplaats is in 1923 de oprichtingsvergadering gehouden voor een gereformeerde lagere school.

 

De ambachtsman was ook één van de 34 aanwezigen bij de oprichting, in januari 1929, van de vereniging Vischstraat nummer 12. Deze kocht de voormalige sociëteit Non Semper in de Visstraat aan, met de bedoeling er kerkdiensten te gaan houden. Een vrije gemeente – met leden voornamelijk afkomstig uit de Gereformeerde Gemeente – werd gevormd met Willem Baaij, een zwager van Kooistra, als voorganger. Baaij werd in 1931 predikant en maakte in 1947 met zijn gemeente de overstap naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ze huist nog altijd in het pand in de Visstraat.

Chr. Geref. Kerk in Visstraat (bron: GAT)

Anne Kooistra blijkt het schoenmakersvak te hebben ingeruild voor de mosselhandel. Toen zijn dochter in juli 1945 trouwde, was hij mosselhandelaar. Dat jaar kocht hij de hoogaars TH 19 en het lemmerjacht BRU 30, die respectievelijk de registratie TH 50 en TH 51 kregen met vergunning voor de garnalen- en de kuilvisserij. De schepen werden Hendrika Suzanna en Lisabeth gedoopt, naar Kooistra’s vrouw en dochter. Erg succesvol was de onderneming niet, want eind 1946 was er opnieuw een faillissement. De TH 51 werd, met alle vistuig, openbaar verkocht.

Hierna pakte Kooistra zijn oude beroep weer op, blijkt uit een advertentie waarin hij zich aanprijst voor het herstellen van schoenen. In maart 1956 overleed Anne Kooistra, 61 jaar oud. Een maand later werd zijn woning Hoogstraat 33 door de erfgenamen verkocht. Zijn weduwe woonde daarna op nummer 35 in dezelfde straat. Ze overleed begin juni 1959, na een verblijf van twee maanden, in een sanatorium in Apeldoorn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.