Archeologie

Dalemsestraat (aflevering 2)

Auteur: John Verweij

Na het overlijden van Pieter van Outheusden werd in 1702 het huis verkocht aan Geertruijt Huwaert, de weduwe van Rochus Marinusse Camhoot. Geertruijt overlijdt zelf in 1712. Uit haar boedelbeschrijving kunnen we opmaken, dat het huis bestaat uit een kamer en keuken, zolder en achterhuisje. In de tuin wordt de omtrek van een waterput gevonden. 

Tegelijk blijkt ook dat zij ‘aan huis’ een winkel(tje) bestierde; schalen, maten en gewichten, olij, zeepe, souten, azijn, haring en stokvis zijn de winkelgoederen. De winkel bevond zich in het achterhuis.

Aardewerk zeef

Bij de vondsten zaten ook de restanten van een aardewerk zeef, roodbakkend en geglazuurd uit het begin van de 18e eeuw.

Deze zeef zou zo maar in de winkel van Geertruijt gebruikt kunnen zijn.

Na het overlijden van Rochus, die twee kinderen achterlaat, trouwt Geertruijt met Jacobus Bruijs. Bij vergelijking van de boedelbeschrijvingen na de dood van Rochus en die na Geertruijts heengaan is de welstand behoorlijk gegroeid. Niet alleen veel goud en zilver laat Geertruijt na, maar ook de gebruiksvoorwerpen zijn veelal van koper, tin en ijzer. 

Dus heel veel aardewerk (datgene wat kapot kan gaan en weggegooid wordt) is er uit die tijd niet gevonden. Beschreven worden alleen potten en pannen in het achterhuis en enkele schotels en borden van ‘gleijerwerck’ (aardewerk) in de keuken.

Jacobus Bruijs was beurtvaarder en voer waarschijnlijk op Rotterdam en Dordrecht, hetgeen afgeleid kan worden uit de boedelbeschriving van 1712. Hij was lid van het Thoolse schippersgilde en was er zelfs deken van. De deken heeft de leiding bij een gilde.

Hij was in het bezit van een cromsteven schip, zoals die in die tijd voor de beurtvaart gebruikt werd. Wellicht heeft hij het schip nog laten bouwen bij de werf van Van Outheusden.

 

Cromstevenschip

Na het overlijden van Geertruijt verkoopt Jacobus het huis begin 1713 aan Jan Theune of Theunisse. Van deze Jan is ons weinig bekend. Hij kocht het huis voor 350 Carolus guldens (ruim 58 Vlaamse ponden), terwijl het huis in 1729 na zijn overlijden verkocht wordt voor ‘slechts’ 36 Vlaamse ponden. Is het huis sterk verwaarloosd of heeft de koper een goede deal weten te sluiten? Koper is J(oh)annes de Bije. 

In de boedelbeschrijving na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1732 staat als schuld een flinke post opgenomen voor timmer- en metselwerk. Er wordt dus flink verbouwd. Dat blijkt ook bij de boedelbeschrijving na het overlijden van zijn tweede vrouw in 1749; dan is het huis in waarde gestegen van 36 ponden Vlaams naar 70 ponden.

Pispot

Een andere vondst ter plekke zijn de restanten van een pispot met slibversiering. Naar verwachting komt deze pot uit Friesland of Westfriesland (Noord-Holland) en wordt gedateerd tussen 1720 en 1760.

Deze pispot zal dus wellicht onder het bed van Johannes hebben gestaan.

(wordt vervolgd)

Eén reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.